Iedere naam een gezichtAlleen zoon Benjamin overleefde de oorlogZeeg de Jood was gek op wielrennen
In een diepgravende zoektocht naar zijn eigen wortels, stuitte Anton Daniëls op veel verhalen en foto’s van Joodse Harderwijkers
Hij is nog steeds zichtbaar geëmotioneerd, tranen staan in de ogen, het Harderwijkse meisje Jetje Härtz, 3 jaar oud, omgekomen in Auschwitz. Harderwijker Anton Daniëls speurt al een aantal jaar naar de wortels van zijn Joodse familie in Amsterdam, maar kwam er juist in Harderwijk achter dat hier nog veel verhalen én foto’s bestaan waar de Joodse Harderwijkers op zijn te vinden. “Ergens troost het mij dat ik toch nog verhalen kan vinden, want van mijn eigen familie is weinig meer te achterhalen.”
“Ik denk dat het komt door de beschermde binnenstad in Harderwijk”, zegt Daniëls. “De mensen binnen de muren kenden elkaar allemaal en die verhalen leven onder de oudere Harderwiekers nog steeds. Sommigen hebben Zeeg de Jood nog gekend, en soms komen uit de gekste hoeken nog foto’s vandaan.” Daniëls verzamelde de verhalen en foto’s en kwam Peter Modder tegen die een fotoboek voor hem samenstelde. In de oude Synagoge in Harderwijk ligt nu één exemplaar van het boek ‘Geen Sjabbat meer’. De beheerders krijgen nog geregeld vragen over de geschiedenis van deze plek en de herdenkingsplaquette aan de gevel. Nu kunnen ze de mensen op het boek wijzen, waar de feiten over de 21 namen op de voorgevel in zijn samengevat. “De namen hebben een gezicht gekregen”, zucht Daniëls, vol opluchting. “En eigenlijk is het heel bijzonder dat hier zo veel foto’s naar boven zijn gekomen. In de oorlog zijn 102.325 Nederlandse Joden omgekomen”, Daniëls dreunt het exacte cijfer feilloos op. “Maar er zijn maar ongeveer 6000 foto’s van deze mensen terug te vinden. De meeste foto’s zijn verloren gegaan. Toen de Joden waren gedeporteerd, zijn hun huizen leeggeroofd door de Duitsers. De meubelen zijn weer naar de gebombardeerde Duitse steden gegaan en werden daar gebruikt. Maar de fotoboeken in kasten en laatjes zijn gewoon weggegooid, vernietigd. Dus het is bijzonder dat er in Harderwijk nog zoveel materiaal te vinden is.”
In de oude Synagoge in Harderwijk, dat nu een ontmoetingsplek is voor mensen die moeite hebben om mee te komen in de maatschappij, spreken Peter Modder en Anton Daniëls over het Grote Zwijgen. Eigenlijk doorbreken de twee Harderwijkers het stilzwijgen over het trauma dat in zoveel Nederlandse gezinnen met Joodse wortels is ontstaan. “Wij hebben alletwee een moeder met Joodse wortels”, legt Modder uit. “Maar voor de oorlog was er helemaal geen sprake van een onderscheid tussen Joden en niet-Joden, dat is pas tijdens en na de oorlog gekomen.” Daniëls vult hem aan: “Ezechiël de Lange werd wel Zeeg de Jood genoemd, maar hij was een zeer betrokken Harderwieker. Hij was voor de oorlog actief als bestuurslid voor de voetbalvereniging, maar er zaten ook Joden in het bestuur van de Oranjevereniging. Het onderscheid was er helemaal niet. Als je nu de verhalen hoort, merkten de Harderwiekers het vroeger vooral aan kleine dingen. Bijvoorbeeld dat de winkels van orthodoxe Joden op zaterdag niet open waren. En dat de kinderen op vrijdag al eerder uit school gingen om voor de schemer thuis te kunnen zijn om sjabbat te vieren.”
Modder: “Na de oorlog veranderde alles voor de Joodse gemeenschap, althans, wat er van over was. Ik ben zelf van na de oorlog en heb het niet meegemaakt. Maar ik had bijna geen familie meer van mijn moeders kant. Die zijn bijna allemaal omgekomen. Maar er werd niet echt over gepraat, slachtofferhulp bestond toen niet. Het was een tijd van schouders eronder en gewoon weer doorgaan. Maar er schuilde altijd wat onder de oppervlakte, gewoon doorgaan kan toch niet als je complete familie is uitgemoord?”
“Alleen mijn ome Levi is teruggekomen.” Anton Daniëls kijkt peinzend voor zich uit. “Hij heeft een boek geschreven, nou ja, een journalist heeft zijn verhaal opgeschreven. Maar het is net een voetbalverslag, een chronologische opeenstapeling van feiten. Dat is misschien ook wel de enige benadering die draaglijk is als je terugdenkt aan die tijd.” De twee Harderwijkers spreken zelf ook met grote moeite over het verleden. “Het is een deel van jezelf.” Peter kijkt weg. “Het is niet uit te leggen hoe het voelt.”
“Het waren moeders en jonge kinderen.” Anton Daniëls gooit er een krachtterm uit. “Het is voor mij een kleine troost dat de Joodse Harderwijkers een beetje verder leven in onze herinnering.” Daniëls is er nog niet klaar mee. “Ik wil nog een boek uit gaan brengen. Ik heb zoveel verhalen. Maar ik moet ook een beetje opschieten, want de mensen die het nog weten worden al oud. Maar je kunt ook niet zomaar bij iemand die de oorlog heeft meegemaakt langsgaan om even het verhaal te halen. Dat is veel te gevoelig.”
Daniëls zelf moet zijn best doen om niet te diep in de verhalen terecht te komen. “Mijn vrouw maakt zich al zorgen.” Daniëls wuift die zorgen wat lachend weg, maar plots serieus: “Ik moet wel oppassen. Ik merk ook dat ik niet alles aankan. Soms helpt humor. Ik begrijp wel hoe de Joodse zwarte humor is ontstaan, misschien wel juist door die beestachtige gruwelijkheden.”
Onder de titel Een Naam en een Gezicht wil het Herinneringscentrum Kamp Westerbork zoveel mogelijk slachtoffers en overlevenden uit de anonimiteit terughalen. Anton Daniëls bezocht Westerbork regelmatig in zijn zoektocht naar meer informatie over zijn eigen familie. Zes jaar geleden werd hem gevraagd of hij naast zijn familie-onderzoek ook onderzoek wilde doen naar de omgekomen Joodse inwoners van Harderwijk. Uit ervaring wist Daniëls dat informatie verzamelen over gedeporteerden niet eenvoudig is en het vinden van foto’s vrijwel onmogelijk. Maar tot zijn verrassing blijken er nog veel Harderwijkers te zijn die vooral de bekende Joodse families uit de binnenstad kenden en er bleek veel fotomateriaal te bestaan.
Opa Hartog Härtz wandelde geregeld met kleindochter Jetje door de straten van Harderwijk, op deze foto in de zomer van 1942. Een jaar later zouden beiden zijn overleden.
Jetje was de dochter van Abraham en Grietje. Het gezinnetje woonde aan de Weisteeg. Vanaf 25 september 1942 zat Abraham in een werkkamp. Grietje is kort daarna met Jetje ondergedoken op een boerderij in Ermelo. In de nacht van 29 op 30 maart 1943 werden Grietje en Jetje, samen met Hartog en zijn dochter Flora, in Harderwijk opgepakt en naar kamp Westerbork vervoerd. Hartog en Flora werden direct op transport gezet naar vernietigingskamp Sobibor. Op 9 april werden zij na aankomst omgebracht in de gaskamers van dat beruchte kamp. Hartog was 66 jaar, dochter Flora 36 jaar. Op 25 mei werden ook Grietje Härtz en dochter Jetje naar Sobibor gedeporteerd. Op 28 mei werden zij direct na aankomst omgebracht. Grietje werd 31 jaar en de kleine Jetje 3 jaar oud. Abraham werd op 23 oktober 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Hij moest in kamp Breslau in een steengroeve werken en heeft dat negen maanden vol gehouden. Hij overleed op 23 augustus 1943. Abraham werd 32 jaar.
De oudste zoon van Hartog, Benjamin, was met zijn gezin ondergedoken en heeft de oorlog overleefd. Hartog en zijn andere kinderen en kleinkinderen zijn omgekomen. In totaal tien mensen.
Door het in het Belgenkamp gebouwde velodroom maakte Harderwijk kennis met de wielersport. Ezechiël de Lange (staand helemaal links) werd een fervent liefhebber en stelde tijdens wedstrijden premies beschikbaar. De foto is genomen ter gelegenheid van de opening op 26 juli 1934. Ezechiël, ook wel Zeeg de Jood genoemd, was ook voorzitter van de voetbalclub S.D.O. (Samenspel Doet Overwinnen). Die club is een van de oudste verenigingen van Harderwijk. Later is de voetbalclub overgegaan in “De Harderwijker Boys”. Op 11 mei werden Ezechiël en zijn vrouw Geertje op transport gezet naar Sobibor en op 14 mei 1943 werden ze omgebracht. Ezechiël was 67 jaar oud, Geertje was 71. Van de vijf kinderen heeft alleen hun jongste zoon Abraham met zijn gezin de oorlog weten te overleven.
Nico de Bruijne
geplaatst op 2010-08-31 | 15:00
Reacties
Er zijn nog geen reacties
- 0







